Sale!

Johannes Evert Hendrik Akkeringa (1861 – 1942), vrouw bij boerderij

Original price was: € 4.950,00.Current price is: € 2.950,00.

Johannes Evert Hendrik Akkeringa (BlinjoeNederlands-Indië17 januari 1861 – Amersfoort12 april 1942) behoorde tot de tweede generatie Haagse school-schilders.

Vrouw bij boerderij..

Olieverfschilderij op paneel.

Afmeting werk: 35 x 20 cm
Afmeting lijst: 59 x 43.5 cm

Aangekocht bij Glerum in 2011.

Johannes Evert Hendrik Akkeringa (BlinjoeNederlands-Indië17 januari 1861 – Amersfoort12 april 1942) behoorde tot de tweede generatie Haagse school-schilders. Akkeringa was vooral bekend om zijn schilderijen en aquarellen van strandtaferelen met spelende kinderen en vrouwen, nettenboetsters en voorstellingen van intieme ‘thee-uurtjes’ met converserende figuren in een lommerrijke omgeving.

Jeugd

De Haagse schilder Johannes Evert Hendrik Akkeringa werd op 17 januari 1861 geboren in Blinjoe in Nederlands-Indië, als tweede kind van Johannes Evert Akkeringa (1829-1863) en de Chinees-Javaanse vrouw Sariedja (circa 1842-?). Johannes Evert Akkeringa was ingenieur in de tinmijnen van de Billiton Maatschappij te Banka en later op Buitenzorg. In 1863 overleed vader Akkeringa plotseling aan de gevolgen van tyfus. Na de dood van zijn vader werd de jonge Akkeringa samen met zijn broer en zus in 1865 door familie in Nederland naar Den Haag gehaald. Hier groeiden de drie kinderen op in het huishouden van een tante.

Academie

Jong meisje in klederdracht (Johannes Evert Akkeringa)

In het voorjaar van 1878 meldde Akkeringa zich op zeventienjarige leeftijd aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Op de Academie raakte hij bevriend met zijn medestudent Willem de Zwart (1862-1931) en studeerde hij in de loop der jaren samen met verschillende andere kunstenaars, waaronder Floris Verster (1861-1927) en Marius Bauer (1867-1932). Het is zeer waarschijnlijk dat Akkeringa in dezelfde periode Isaac Israëls (1865-1934) heeft ontmoet, met wie hij nauw bevriend raakte. De lessen die Akkeringa volgde aan de Academie bestonden hoofdzakelijk uit anatomisch tekenen en het tekenen naar gipsmodellen, maar ook perspectieftekenen en compositieleer kregen veel aandacht. Naast zijn studie trok Akkeringa net als veel van zijn studie genoten vaak de natuur in, om buiten te werken en om zich zo in de praktijk verder te kunnen oefenen. Het landschap rondom Den Haag ontdekte hij al vrij snel als zijn grootste inspiratiebron. In het voorjaar van 1883 behaalde Akkeringa zijn tekenakte, waarna hij nog tot 1885 lessen zou blijven volgen aan de Academie.

Van augustus 1886 tot eind 1887 vervolgde Akkeringa zijn opleiding aan de Rotterdamse Academie. In datzelfde jaar nam hij voor het eerst deel aan de ‘Tentoonstelling van Levende Meesters’ aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag.

Schildersgenootschappen

In het najaar van 1887 verhuisde Akkeringa naar Den Haag en vervolgens, enkele maanden later, naar Loosduinen om zich helemaal aan het buitenschilderen te wijden. Hier betrok hij samen met zijn vriend Cees van Waning (1861-1903) een atelier. In deze periode ontstond de zogenaamde ‘Loosduinse schilderskolonie’ of het ‘Haagse Barbizon’. Tot deze kolonie werden, naast Akkeringa zelf, ook Willem de Zwart (1862-1931) die grote invloed uitoefende op de stijl van Akkeringa, George Hendrik Breitner (1857-1923), Jan Toorop (1858-1928), Theo van Hoytema (1863-1917), Hendrik Otto van Thol (1859-1902), Marius Bauer (1867-1932) en enkele anderen gerekend. Loosduinen en de omliggende duingebieden hadden een grote aantrekkingskracht op de Haagse landschapsschilders, omdat het een van de laatste ongerepte stukken natuur was in de omgeving van de hofstad bij Scheveningen.

In oktober 1889 werd Akkeringa officieel aangenomen als ‘gewoon lid’ van de Haagse kunstenaarsvereniging het Schilderkundig Genootschap Pulchri Studio. Samen met onder anderen Théophile de Bock nam Akkeringa in 1891 plaats in het oprichtingsbestuur van de Haagsche Kunstkring die, in tegenstelling tot Pulchri, naast de schilderkunst ook beoefenaars van andere kunsttakken als leden zou accepteren. Op 26 juni 1894 werd Akkeringa door de schilder Hendrik Johannes Haverman voorgedragen, en aangenomen, als ‘kunstlievend lid’ van de kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae. Een jaar later wordt hij “gewoon lid” en op 21 mei 1909 “buitenlid”. Op 25 februari 1897 werd Akkeringa, tegelijk met zijn vriend Floris Arntzenius (1864-1925), aangenomen als lid van de Hollandsche Teekenmaatschappij waar hij vanaf 1912 tot 1917 zitting zou nemen in het bestuur.

In februari 1892 kreeg Akkeringa de opdracht om samen met Jan TooropMarius Bauer en Willem de Zwart illustraties te maken voor een sprookjesbundel, uitgegeven door de Amsterdamse uitgeverij Elsevier. Het boek was getiteld ‘Een Boek van Verbeelding; Sproken en vertellingen’ (1893) door Louise Ahn-De Jongh (1893). Vanaf november 1892 tot oktober 1896 verdiende Akkeringa als illustrator voor Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift wat bij.

Description

Johannes Evert Hendrik Akkeringa (BlinjoeNederlands-Indië17 januari 1861 – Amersfoort12 april 1942) behoorde tot de tweede generatie Haagse school-schilders.

Vrouw bij boerderij..

Olieverfschilderij op paneel.

Afmeting werk: 35 x 20 cm
Afmeting lijst: 59 x 43.5 cm

Aangekocht bij Glerum in 2011.

Johannes Evert Hendrik Akkeringa (BlinjoeNederlands-Indië17 januari 1861 – Amersfoort12 april 1942) behoorde tot de tweede generatie Haagse school-schilders. Akkeringa was vooral bekend om zijn schilderijen en aquarellen van strandtaferelen met spelende kinderen en vrouwen, nettenboetsters en voorstellingen van intieme ‘thee-uurtjes’ met converserende figuren in een lommerrijke omgeving.

Jeugd

De Haagse schilder Johannes Evert Hendrik Akkeringa werd op 17 januari 1861 geboren in Blinjoe in Nederlands-Indië, als tweede kind van Johannes Evert Akkeringa (1829-1863) en de Chinees-Javaanse vrouw Sariedja (circa 1842-?). Johannes Evert Akkeringa was ingenieur in de tinmijnen van de Billiton Maatschappij te Banka en later op Buitenzorg. In 1863 overleed vader Akkeringa plotseling aan de gevolgen van tyfus. Na de dood van zijn vader werd de jonge Akkeringa samen met zijn broer en zus in 1865 door familie in Nederland naar Den Haag gehaald. Hier groeiden de drie kinderen op in het huishouden van een tante.

Academie

Jong meisje in klederdracht (Johannes Evert Akkeringa)

In het voorjaar van 1878 meldde Akkeringa zich op zeventienjarige leeftijd aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Op de Academie raakte hij bevriend met zijn medestudent Willem de Zwart (1862-1931) en studeerde hij in de loop der jaren samen met verschillende andere kunstenaars, waaronder Floris Verster (1861-1927) en Marius Bauer (1867-1932). Het is zeer waarschijnlijk dat Akkeringa in dezelfde periode Isaac Israëls (1865-1934) heeft ontmoet, met wie hij nauw bevriend raakte. De lessen die Akkeringa volgde aan de Academie bestonden hoofdzakelijk uit anatomisch tekenen en het tekenen naar gipsmodellen, maar ook perspectieftekenen en compositieleer kregen veel aandacht. Naast zijn studie trok Akkeringa net als veel van zijn studie genoten vaak de natuur in, om buiten te werken en om zich zo in de praktijk verder te kunnen oefenen. Het landschap rondom Den Haag ontdekte hij al vrij snel als zijn grootste inspiratiebron. In het voorjaar van 1883 behaalde Akkeringa zijn tekenakte, waarna hij nog tot 1885 lessen zou blijven volgen aan de Academie.

Van augustus 1886 tot eind 1887 vervolgde Akkeringa zijn opleiding aan de Rotterdamse Academie. In datzelfde jaar nam hij voor het eerst deel aan de ‘Tentoonstelling van Levende Meesters’ aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag.

Schildersgenootschappen

In het najaar van 1887 verhuisde Akkeringa naar Den Haag en vervolgens, enkele maanden later, naar Loosduinen om zich helemaal aan het buitenschilderen te wijden. Hier betrok hij samen met zijn vriend Cees van Waning (1861-1903) een atelier. In deze periode ontstond de zogenaamde ‘Loosduinse schilderskolonie’ of het ‘Haagse Barbizon’. Tot deze kolonie werden, naast Akkeringa zelf, ook Willem de Zwart (1862-1931) die grote invloed uitoefende op de stijl van Akkeringa, George Hendrik Breitner (1857-1923), Jan Toorop (1858-1928), Theo van Hoytema (1863-1917), Hendrik Otto van Thol (1859-1902), Marius Bauer (1867-1932) en enkele anderen gerekend. Loosduinen en de omliggende duingebieden hadden een grote aantrekkingskracht op de Haagse landschapsschilders, omdat het een van de laatste ongerepte stukken natuur was in de omgeving van de hofstad bij Scheveningen.

In oktober 1889 werd Akkeringa officieel aangenomen als ‘gewoon lid’ van de Haagse kunstenaarsvereniging het Schilderkundig Genootschap Pulchri Studio. Samen met onder anderen Théophile de Bock nam Akkeringa in 1891 plaats in het oprichtingsbestuur van de Haagsche Kunstkring die, in tegenstelling tot Pulchri, naast de schilderkunst ook beoefenaars van andere kunsttakken als leden zou accepteren. Op 26 juni 1894 werd Akkeringa door de schilder Hendrik Johannes Haverman voorgedragen, en aangenomen, als ‘kunstlievend lid’ van de kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae. Een jaar later wordt hij “gewoon lid” en op 21 mei 1909 “buitenlid”. Op 25 februari 1897 werd Akkeringa, tegelijk met zijn vriend Floris Arntzenius (1864-1925), aangenomen als lid van de Hollandsche Teekenmaatschappij waar hij vanaf 1912 tot 1917 zitting zou nemen in het bestuur.

In februari 1892 kreeg Akkeringa de opdracht om samen met Jan TooropMarius Bauer en Willem de Zwart illustraties te maken voor een sprookjesbundel, uitgegeven door de Amsterdamse uitgeverij Elsevier. Het boek was getiteld ‘Een Boek van Verbeelding; Sproken en vertellingen’ (1893) door Louise Ahn-De Jongh (1893). Vanaf november 1892 tot oktober 1896 verdiende Akkeringa als illustrator voor Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift wat bij.

Reviews

There are no reviews yet.

Be the first to review “Johannes Evert Hendrik Akkeringa (1861 – 1942), vrouw bij boerderij”

Your email address will not be published. Required fields are marked *